nlen

Artikel uit uitgave 2, 2002

pedersenDe Pedersen versnellingsnaaf is afwijkend van alle andere types: hij heeft twee assen, zoals een versnellingsbak. Het kettingwiel A zit vast bevestigd aan het tandwiel B. Daar binnenin bevindt zich het freewheelmechanisme. Tandwiel B drijft een kleiner tandwiel C aan dat draait op een as die in kogellagers in de flenzen van de naaf zit. Deze hulpas draait dus in zijn geheel mee rondom de hoofdas van de naaf. Via tandwiel D1 wordt tandwiel E aangedreven, dat op de hoofdas zit maar opzij weg kan schuiven (naar F). Dit tandwiel E dat altijd stilstaat, speelt een vergelijkbare rol als het zonnewiel op de hoofdas van een gewone versnellingsnaaf. Het tandwiel E dwingt D1 om om E heen te draaien en zijn hulpas met de flenzen van de naaf mee te nemen. De naaf draait daarbij met een grotere omwentelingssnelheid dan kettingwiel A. Als je deze beweging precies nagaat, zou je kunnen concluderen dat de naaf achteruit zou moeten draaien, maar dat is alleen het geval als de omwentelingssnelheid verkleint, en de versnelling dus lager wordt inplaats van hoger. Maar omdat de naaf sneller draait dan het kettingwiel draait het tandwiel C in dezelfde richting als B. Voor de lage versnelling is daarom een hulptandwiel F nodig. De beweging loopt dan over A/B, C en D2 via F naar E. De versnellingsmogelijkheden zijn uiteraard afhankelijk van de gekozen verhoudingen van de vertandingen. De ‘normale’ Pedersen naaf heeft een lage versnelling die 33 1/3 % lager ligt dan direct drive en 50 % hoger in de hoogste. Er is ook een uitvoering met twee versnellingen.

Otto Beaujon